Carmenère

VAN FRANS LELIJK EENDJE TOT CHILI’S  NATIONALE TROTS
De eerste indruk van de carmenèredruif lijkt geen beste. Onzeker. Onzichtbaar. Als een kindje dat zich verschuilt achter de rokken van haar moeder, te bang om zich te laten zien.
 
LELIJK EENDJE
Het moet gezegd dat deze blauwe druif – vroeger een van de klassieke Bordeauxrassen – zich niet bepaald van zijn beste kant heeft laten zien in zijn jonge jaren. In het relatief koele, vochtige West-Frankrijk kwam de laatbloeier slecht tot zijn recht. Wel veel kleur, maar vooral een wrange, ‘groene’ smaak. En zijn ziektegevoeligheid hielp ook niet echt bij de populariteitsslag. Dus na de Phylloxera-uitbraak in Europa – de druifluis die eind 19e eeuw bijna alle wijnbouw op ons continent wegvaagde – kozen de wijnboeren liever voor de andere, minder risicovolle, Bordeauxrassen. En daarmee stierf carmenère een plotselinge, maar onterechte stille dood. Ondertussen waren veel wijnboeren met hun wijnstokken naar de overkant van de oceaan getrokken. Het geluk tegemoet. En Chili bleek een paradijs. Een smal, uitgerekt land, ingeklemd tussen het Andesgebergte in het oosten en in het westen de kust. Een fantastisch warm klimaat met veel zonlicht.  Een verfrissende zeewind én voldoende smeltwater dat van de Andes naar zee stroomde voor de nodige irrigatie. Ideale omstandigheden voor de carmenère. En – niet onbelangrijk – die druifluis kon er door de natuurlijke grenzen van het land niet komen!

 
ZWAAN
En – oh – wat wist carmenère zich hier te revangeren. Dit was zijn thuis! Maar opnieuw lukte het niet zijn verdiende plek op te eisen. De Chilenen dachten namelijk dat ze merlot verbouwden. Wel had die wijn altijd een opvallende wrange bijsmaak. Pas na grondig onderzoek ontdekten experts in de jaren negentig van de 20e eeuw dat in de Chileense merlotwijngaarden heel veel carmenère schuilging! Eindelijk een verklaring waarom in sommige oude wijnvelden de ene wijnrank veel eerder rijpte dan de andere. Een groot schandaal!
Maar al snel ontdekte Chili de potentie van deze druif. In no time was de carmenère hun nationale trots. En zo groeide het lelijke eendje plotsklaps uit tot een prachtige – paarse -zwaan, die statig meedreef op het smeltwater van de Andes.
Maar wat maakt die Chileense carmenère nu zo bijzonder? Oké – toegegeven – er kwam toen ook veel slappe slobberwijn met te veel alcohol op de markt. Maar de druif voelt zich thuis in Chili’s warme droogte. De lange zomers doen hem goed. En de grote temperatuurverschillen van dag en nacht zorgen voor een heerlijke fruitigheid. Heb je een goede fles, dan word je getrakteerd op uitbundige aroma’s. Chocola, pruimen, specerijen, tutti frutti, koffie, zwarte bessen, tabac – het spat je glas uit. En dan de smaak! Je proeft volle, sappige cassis – fluweelzacht en weinig zuren.  Zeker die exemplaren die een tijdje hebben doorgebracht in houten vaten.
Het zijn fantastische begeleiders van gegrild vlees, vooral lam. Licht wild en belegen romige kazen, ook prima. En zo’n flesje carmenère is een feest bij de barbecue. Persoonlijk vind ik dat sommige exemplaren schreeuwen om een goed stuk chocola. Maar daarover zijn de meningen nogal verdeeld, dus het is een een kwestie van trial-and-error!
Is diezelfde carmenère, die het toch zo goed doet aan de andere kant van de oceaan, dan helemaal verdwenen van het Europese vasteland?
Nee, hier en daar in Frankrijk kan je hem nog vinden. Voornamelijk gebruikt als ondersteunende druif voor een blend met bijvoorbeeld cabernet sauvignon. En hij schijnt ook in Noord-Italie voor te komen. Maar wat blijkt; daar verwarren ze hem weer met zijn oervader, de cabernet franc en… je raadt het al;  merlot!
De metamorfose tot zwaan laat hier nog even op zich wachten.